Goudvis

"Goudvissen De talloze verschillende goudvissen die als huisdier worden gehouden, stammen allemaal af van de giebel uit Zuid- en Oost-Azië."
Goudvis, de gekweekte vorm van de Zuidoost-Aziatische giebel (Carassius auratus auratus). Reeds ca. 700 v.C. is de goudvis door kruising en selectie in China ontstaan. Later werd hij ook in Japan gekweekt. Vanaf de 17de eeuw is hij in Europa ingevoerd als sier- en vijvervis en sindsdien in tal van wateren verwilderd. Verwilderde goudvissen verliezen na enkele generaties hun typische oranjerode kleur en zijn dan niet meer te onderscheiden van hun wilde stamvorm, de giebel. Ook jonge goudvissen hebben in hun eerste levensjaar nog een donkere ‘wildkleur’. Goudvissen planten zich alleen voort in een zeer groot aquarium of in een vijver. Het vrouwtje legt 500–1000 eitjes die aan waterplanten blijven kleven. Het verdient aanbeveling de ouders van de jongen gescheiden te houden.
Goudvissen De talloze verschillende goudvissen die als huisdier worden gehouden, stammen allemaal af van de giebel uit Zuid- en Oost-Azië. Goudvissen worden al meer dan twee millennia als huisdier gekweekt, vooral in China en Japan. Goudvissen kunnen zeer oud worden.
Uit de stamvorm zijn ook kweekvormen met extreem ontwikkelde vinnen (sluierstaart, komeetstaart), afwijkende lichaamsvorm (leeuwenkopvis, eiervis) en afwijkende oogvorm (telescoopogen) ontstaan. Deze kweekvormen zijn gevoeliger dan de ‘gewone’ goudvis en moeten boven 15 °C watertemperatuur gehouden worden en zijn dus niet geschikt voor vijvers in ons klimaat. Alle goudvissen zijn koudbloedig. Dit betekent dat ze hun temperatuur niet kunnen regelen en altijd even warm of koud zijn als het water om hen heen. Een plotselinge verandering in de temperatuur van het water maakt dat hun eigen temperatuureven snel daalt of stijgt. Dit kan dodelijk zijn.
Een goudvis kan even goed zien als wij, maar omdat zijn ogen aan beide kanten van zijn kop staan en een beetje uitpuilen, kan hij helemaal rondkijken zonder zich om te draaien. Een goudvis kan voedsel proeven voor hij het in de bek neemt, dat komt omdat hij smaakpapillen heeft aan de binnen- en buitenkant van zijn bek. Hij kan evenveel voelen als wij. Hij kan niet zo goed ruiken als sommige landdieren maar toch is ruiken van belang voor een goudvis om voedsel te vinden. Al kan een goudvis horen, toch gaat hij meer af op een ander zintuig: een rij open schubben aan elke kant van zijn lichaam. Dit heet het zijlijnsysteem, waarmee hij de geringste beweging in het water voelt. Hij gebruikt dit zintuig wanneer hij jaagt op levend voedsel of wanneer hij vlucht voor gevaar.
